Extreme prijsstijgingen in de bouw: wie krijgt de rekening gepresenteerd?

  • event10-05-2021
  • schedule13:00
  • timer4 minuten

De prijzen van grondstoffen en bouwmaterialen zijn de afgelopen maanden aanzienlijk gestegen. Volgens vakblad CoBouw is er zelfs sprake van een “totale gekte op de wereldwijde markt”. Deze prijsverhogingen worden veroorzaakt door de coronacrisis, de enorme vraag in de wereldwijde (goedlopende) bouwsector, handelsconflicten, leveringsproblemen en containertekorten. Veel bouwbedrijven vragen zich daarom terecht af voor wiens rekening deze prijsstijgingen dienen te komen.

De praktijk leert ons dat de prijsstijgingen vaak voor rekening van de aannemer komen. Afspraak is immers afspraak. Bij het sluiten van de overeenkomst heeft de aannemer echter de mogelijkheid om te anticiperen op (normale) prijsstijgingen. Zo kan hij in het contract een bepaling opnemen die hem het recht geeft op vergoeding van (meer)kosten ten gevolge van prijsstijgingen. Zo’n bepaling ziet in beginsel evenwel ‘slechts’ toe op normale stijgingen van prijzen. Wat nu als er sprake is van extreme prijsstijgingen of als er in het contract onverhoopt in het geheel geen bepaling is opgenomen die ziet op kostenverhogende omstandigheden? In dat geval bieden de wet en sommige standaardvoorwaarden, zoals de UAV 2012 en de UAV-GC 2005, soms uitkomst. In deze blog leest u hoe dat in zijn werk gaat.

De wet: onvoorziene of kostenverhogende omstandigheden

In het geval de aannemer wordt geconfronteerd met extreme prijsstijgingen, biedt de wet hem de mogelijkheid om een beroep te doen op onvoorziene omstandigheden (art. 6:258 BW). Daarvan is sprake indien er zich een situatie voordoet waarin het contract niet voorziet en waar partijen bij het sluiten van de overeenkomst geen rekening mee hebben gehouden. De extreme prijsstijgingen van grondstoffen en bouwmaterialen ten gevolge van de coronacrisis, zouden wellicht kunnen worden aangemerkt als onvoorziene omstandigheden. Deze omstandigheden dienen dan wel van dien aard te zijn dat de opdrachtgever eigenlijk niet mag verwachten dat het contract ongewijzigd in stand blijft. Let op: dit is een strenge toets. De rechter past deze bepaling dan ook terughoudend toe. Als aan de vereisten is voldaan kan de rechter overgaan tot wijziging of (gedeeltelijke) ontbinding van het contract.

Er zou door de aannemer ook een beroep kunnen worden gedaan op kostenverhogende omstandigheden (art. 7:753 BW). Het is dan in de eerste plaats van belang dat deze omstandigheden niet aan de aannemer zijn toe te rekenen. Daarnaast is vereist dat de aannemer bij het bepalen van de prijs – op het moment dat hij het contract sloot – geen rekening hoefde te houden met de kans op zulke omstandigheden. Het tijdstip waarop het contract is gesloten – voor of tijdens de coronacrisis – is in dat verband relevant. Ten slotte dient de aannemer zijn opdrachtgever tijdig te hebben gewaarschuwd voor de noodzaak van de prijsverhoging. Dit geeft de opdrachtgever de mogelijkheid om het werk te wijzigen of te vereenvoudigen. Is aan al deze voorwaarden voldaan, dan kan de rechter op verzoek van de aannemer overgaan tot het aanpassen van de overeengekomen prijs. Hierbij geldt dat enkel de kosten die het normale ondernemersrisico overstijgen, voor rekening van de opdrachtgever kunnen worden gebracht.

Standaardvoorwaarden: UAV 2012 of UAV-GC 2005

In standaardvoorwaarden, zoals de UAV 2012 en de UAV-GC-2005, treffen we vergelijkbare regelingen aan. Indien één van deze voorwaarden op het contract van toepassing is, kan op die regelingen een beroep worden gedaan, naast de eerder genoemde wettelijke bepalingen.

Paragraaf 47 UAV 2012, dat ziet op kostenverhogende omstandigheden, vertoont veel gelijkenis met art. 7:753 BW. De vereisten zijn vrijwel gelijk. In aanvulling daarop stelt paragraaf 47 UAV 2012 de eis dat de kostenverhogende omstandigheden, de kosten van het werk aanzienlijk moeten verhogen. Uit de rechtspraak blijkt dat het in de regel zal moeten gaan om een prijsstijging van (meer dan) 5% van de aanneemsom. Daarentegen geldt dat paragraaf 47 UAV 2012, in tegenstelling tot art. 7:753 BW, geen rechterlijke tussenkomst voorschrijft.

Op grond van paragraaf 44-1 sub c van de UAV-GC 2005 kan de aannemer aanspraak maken op kostenvergoeding en termijnverlenging indien er sprake is van onvoorziene omstandigheden. Deze regeling komt nagenoeg overeen met art. 6:258 BW en hier wordt dan ook dezelfde strenge toets toegepast. Dit heeft tot gevolg dat een beroep op deze regeling niet snel zal slagen.

Conclusie

Afspraak is afspraak, dat is het uitgangspunt. Extreme prijsstijgingen en bijzondere marktomstandigheden komen – behoudens andersluidende afspraken daarover in het contract – in beginsel voor rekening van de aannemer. Slechts indien er sprake is van onvoorziene en/of kostenverhogende omstandigheden die kosten met zich meebrengen die het normale ondernemersrisico overstijgen, kan een deel van de prijsverhoging voor rekening van de opdrachtgever worden gebracht.

Indien een aannemer wordt geconfronteerd met onvoorziene omstandigheden of extreme prijsstijgingen, is het wel van belang dat de opdrachtgever hiervan zo snel mogelijk (schriftelijk) op de hoogte wordt gebracht. Zoals in een eerdere blog over dit onderwerp opgemerkt, verdient het in alle gevallen vervolgens aanbeveling om met de opdrachtgever in overleg te treden en te bekijken of tot een redelijke oplossing kan worden gekomen.

Bent u geconfronteerd met prijsstijgingen van grondstoffen en/of bouwmaterialen en vraagt u zich af of u een beroep toekomt op onvoorziene of kostenverhogende omstandigheden? Of bent u benieuwd of in uw contracten wordt voorgesorteerd op eventuele onvoorziene/kostenverhogende omstandigheden? Neemt u dan gerust contact op met Wouter Leerink of Rick Hoiting.

Geschreven door:

Wouter Leerink

Wouter Leerink deed de Master privaatrecht en ondernemingsrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen. Sinds 2010 heeft Wouter zich bij Yspeert gespecialiseerd in het bouw-, contracten- en ondernemingsrecht. Verder is Wouter actief als lid van de Junior kamer Groningen (JCI), de Commercieele Club Groningen (CCG) en de Vereniging voor Bouwrecht-Advocaten (Vbr-A). Wouter is als vennoot verbonden aan Yspeert advocaten.

Wouter Leerink deed de Master privaatrecht en ondernemingsrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen. Sinds 2010 heeft Wouter zich bij Yspeert gespecialiseerd in het bouw-, contracten- en ondernemingsrecht. Verder is Wouter actief als lid van de Junior kamer Groningen (JCI), de Commercieele Club Groningen (CCG) en de Vereniging voor Bouwrecht-Advocaten (Vbr-A). Wouter is als vennoot verbonden aan Yspeert advocaten.


Geschreven door:

Rick Hoiting

Rick Hoiting studeerde Nederlands recht aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zijn master met de specialisatie Privaatrecht sloot hij cum laude af. Gedurende zijn studie heeft hij praktijkervaring opgedaan in de bouwsector en na zijn studie is Rick enige tijd verbonden geweest aan een verzekeraar waar hij zich bezighield met diverse vraagstukken op gebied van het bouw- en verbintenissenrecht.

Rick Hoiting studeerde Nederlands recht aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zijn master met de specialisatie Privaatrecht sloot hij cum laude af. Gedurende zijn studie heeft hij praktijkervaring opgedaan in de bouwsector en na zijn studie is Rick enige tijd verbonden geweest aan een verzekeraar waar hij zich bezighield met diverse vraagstukken op gebied van het bouw- en verbintenissenrecht.

Klik voor meer binnnen de categorie
Neem contact op

Klik hier voor het het privacybeleid van Yspeert advocaten n.v.