De ‘oscillerende zaag’

  • event24-01-2018
  • schedule09:15
  • timer5 minuten

De tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid van een zorgverlener voor de financiële gevolgen van een medische fout. Wat ging er mis?

Patiënte was bij een orthopedisch-chirurg (hierna: de Chirurg) in behandeling voor (pijn)klachten aan haar voet. Zij wordt door de Chirurg en een collega aan die voet geopereerd. Tijdens de operatie wordt met een oscillerende zaag  overtollig botweefsel weggehaald. Die zaag wordt door de Chirurg of zijn collega op enig moment op het bovenbeen van patiënte gelegd. Het gevolg daarvan is voor patiënte dramatisch. De zaag raakt door een technisch mankement oververhit en veroorzaakt een derdegraads brandwond. Patiënte wordt op de uitslaapkamer op de hoogte gebracht van het incident.

Uit later onderzoek blijkt dat de Chirurg (en zijn collega) voorafgaand aan de operatie niet op de hoogte waren van de inhoud van de bij de zaag behorende gebruiksaanwijzing. [1] Daarin staat onder andere:

“Deze gebruiksaanwijzing verschaft de benodigde informatie voor het gebruik en onderhoud van I DYONICS elektrische instrumenten. Het is belangrijk dat u alle informatie in dit document voor gebruik of onderhoud van de apparatuur leest en begrijpt

 WAARSCHUWINGEN

    • (…)
    • Deze instructies vóór gebruik geheel doorlezen.
    • (…)
    • Om brandwonden bij de patiënt te voorkomen, dient u het elektrische instrument niet op de patiënt te plaatsen wanneer dit niet wordt gebruikt. (onderstreping FK)”

De gebruiksaanwijzing zegt dus in niet mis te verstane woorden dat de zaag niet op de patiënt mag worden gelegd. Gelet op het feit dat deze duidelijke instructie niet is opgevolgd, lijkt er maar één optie mogelijk: de aansprakelijkheid wordt erkend. Niet dus. De aansprakelijkheidsverzekeraar wijst naar de producent van de zaag.

Patiënte dient daarop bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam (hierna: het Tuchtcollege) een klacht in tegen de Chirurg.

Nadat de zaak eerst inhoudelijk is aangehouden, wordt alsnog de aansprakelijkheid erkend. Er ontstaat daarna – en dat verbaast (mij) helaas niet – discussie over de hoogte van de schade. Die discussie is voor patiënte aanleiding om de Chirurg een emotionele mail te sturen waarin zij aandringt op een snelle financiële afwikkeling. Op die mail wordt gereageerd waarbij, na overleg met hun jurist, door de Chirurg en zijn collega aangegeven wordt dat de financiële afwikkeling iets is tussen patiënte en de aansprakelijkheidsverzekeraar en dat zij daar buiten staan.

De klacht van patiënte

Patiënte verwijt de Chirurg dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld door:

1. de oscillerende zaag in strijd met de gebruiksaanwijzing gedurende de operatie op haar been te leggen;

2. na het incident geen contact met haar op te nemen;

3. de aansprakelijkheid van de hand te wijzen en met een vinger naar de fabrikant te wijzen.

Het tweede klachtonderdeel laat ik hierna buiten beschouwing, omdat het Tuchtcollege op dat punt niet tot conclusies komt die, los van deze zaak, voor andere zorgverleners relevant zijn in het kader van hun tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid.

Het verweer

De Chirurg stelt dat patiënte oneigenlijk gebruik maakt van de tuchtprocedure, omdat zij die doorzet nadat de aansprakelijkheid alsnog is erkend. In de visie van de Chirurg dient haar klacht niet inhoudelijk beoordeeld te worden. Inhoudelijk komt het verweer van de Chirurg erop neer dat er geen sprake is geweest van onzorgvuldig handelen. Bijvoorbeeld omdat er gehandeld is in lijn met wat in de praktijk gebruikelijk is.

Wat vindt het Tuchtcollege?

Het Tuchtcollege maakt allereerst korte metten met het standpunt van de Chirurg dat de klacht niet inhoudelijk behandeld kan worden: een aansprakelijkheidstraject doet niet af aan het klachtrecht van patiënte, ook niet als het tuchtrecht (mede) is ingezet om die aansprakelijkheid af te dwingen.

Het Tuchtcollege verklaart het eerste klachtonderdeel (1) gegrond. Het Tuchtcollege vindt het – anders dan de Chirurg – niet relevant of het de gebruikelijke praktijk is dat een dergelijke zaag gedurende de operatie op de operatietafel of op de patiënt wordt gelegd als deze even niet wordt gebruikt. Als dat zo is, dan is die in de praktijk gehanteerde werkwijze gelet op de gebruiksaanwijzing onjuist, zo concludeert het Tuchtcollege. Ditzelfde geldt voor de stelling van de Chirurg dat het in de praktijk niet gebruikelijk is de gebruiksaanwijzing van ‘simpele’ apparaten te lezen. Oftewel, het gebruiken van een technisch hulpmiddel in strijd met de gebruiksaanwijzing is, ongeacht de in de praktijk gegroeide werkwijze, onzorgvuldig en daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar.[2]

Het derde klachtonderdeel (3) verklaart het Tuchtcollege ongegrond, omdat de klacht ziet op het niet-erkennen van de aansprakelijkheid. Dat is ‘het domein van de aansprakelijkheidsverzekeraar’, aldus het Tuchtcollege.

Heeft u als zorgverlener daarin dan geen enkele verantwoordelijkheid? Het antwoord is ‘nee’.

Het Tuchtcollege herhaalt op dit punt allereerst dat het erkennen van de aansprakelijkheid en het erkennen van een fout twee verschillende dingen zijn. Het laatste hoort – in ieder geval als daarover zoals hier geen twijfel kan bestaan – tot de verantwoordelijkheid van u als zorgverlener. Hier werden wel excuses gemaakt, maar de gemaakte fout werd niet erkend.

Daarnaast kan de financiële afwikkeling van die fout wel aan de aansprakelijkheidsverzekeraar overgelaten worden, maar dat betekent niet dat u daarvoor als zorgverlener geen enkele verantwoordelijkheid draagt. Het Tuchtcollege verwoordt dit als volgt:

“De zorgvuldigheid die een zorgverlener op grond van artikel 47 lid 1 Wet BIG jegens de patiënt moet betrachten, omvat eveneens de manier waarop de zorgverlener na een (gestelde) medische fout met de patiënt omgaat. (…) Op het moment dat een aansprakelijkheidsverzekeraar de schade op onzorgvuldige wijze afwikkelt (waarvan op basis van wetenschappelijk onderzoek inmiddels voldoende vaststaat dat dit een negatieve invloed heeft op het welzijn van patiënten), ligt het op de weg van de arts (wiens doel juist het bevorderen van het welzijn van patiënten zou moeten zijn) zijn verzekeraar daarop aan te spreken. Dit geldt in nog sterkere mate voor de zorgverlener die – zoals verweerder in deze zaak – tevens deel uitmaakt van de directie van de zorgaanbieder in kwestie”.

Conclusie: wat leert deze zaak u?

De slotsom van deze zaak is simpel: u hebt als zorgverlener óók een verantwoordelijkheid ten aanzien van de financiële afwikkeling van een door u gemaakte medische fout. Dat de financiële afwikkeling van uw fout in handen ligt van uw  aansprakelijkheidsverzekeraar (of die van uw werkgever) maakt dit niet anders.

Op basis van deze uitspraak geef ik u tot slot de volgende handvatten:

    • verdiep u in de werking van een technisch hulpmiddel en de daaraan verbonden risico’s en gevaren vóórdat u dat hulpmiddel gebruikt. Ook als het een ‘simpel’ apparaat is. Bijvoorbeeld door het lezen van de gebruiksaanwijzing.
    • vaar niet alleen op wat u in uw opleiding hebt geleerd, omdat die kennis verouderd kan zijn dan wel omdat het u niet juist is aangeleerd.
    • houd de vinger aan de pols als uw aansprakelijkheidsverzekeraar de financiële gevolgen van uw medische fout afwikkelt. Spreek uw aansprakelijkheidsverzekeraar zo nodig aan op de zorgvuldige afwikkeling van de schade. Daarbij geldt de Gedragscode Openheid Medische incidenten; betere afwikkeling Medische Aansprakelijkheid (afgekort GOMA) voor uw aansprakelijkheidsverzekeraar als leidraad.

De hele uitspraak kunt u hier lezen.

Tegen deze uitspraak is beroep ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag.

[1] Er is een zogeheten VIM-melding (Veilig Incident Melden) en een PRISMA onderzoek gedaan.

[2] RTC Amsterdam, 4 juli 2017, ECLI:NL:TGZRAMS:2017:78, r.o. 5.2 en 5.3.

Geschreven door:

Hillie Lunter

Hillie Lunter (advocaat sinds 2005) wordt regelmatig benoemd als curator in faillissementen. Zij behaalde de post-academische opleiding Insolventierecht aan de Rijksuniversiteit Groningen en de specialisatieopleiding Vennootschaps – en Ondernemingsrecht bij Grotius. Hillie Lunter is voorzitter van de Raad van Toezicht van de Stichting Maatschappelijke Onderneming Smallingerland (M.O.S.), lid van VNO NCW Noord, waar zij lid is van de Noordgang Drachten Dokkum Oosterwolde. Ook is Hillie lid van Vereniging Privacy Recht.

Hillie Lunter (advocaat sinds 2005) wordt regelmatig benoemd als curator in faillissementen. Zij behaalde de post-academische opleiding Insolventierecht aan de Rijksuniversiteit Groningen en de specialisatieopleiding Vennootschaps – en Ondernemingsrecht bij Grotius. Hillie Lunter is voorzitter van de Raad van Toezicht van de Stichting Maatschappelijke Onderneming Smallingerland (M.O.S.), lid van VNO NCW Noord, waar zij lid is van de Noordgang Drachten Dokkum Oosterwolde. Ook is Hillie lid van Vereniging Privacy Recht.

Klik voor meer binnnen de categorie
Neem contact op

Klik hier voor het het privacybeleid van Yspeert advocaten n.v.