Het recht op transitievergoeding? Niet voor iedereen!

  • event22-02-2021
  • schedule15:00
  • timer1 minuut

Sinds 1 januari 2020 hebben werknemers vanaf dag één recht op een transitievergoeding bij een beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever. Deze vergoeding is enerzijds bedoeld als compensatie voor het ontslag en anderzijds om de overgang naar ander betaald werk te vergemakkelijken.

Dat de transitievergoeding echter niet voor iedereen geldt, blijkt uit een procedure die gevoerd werd bij de rechtbank Noord-Nederland. In deze procedure vorderde een predikant betaling van een transitievergoeding wegens zijn ‘losmaking’ van de Protestantse Gemeente. Hoe de kantonrechter hierover oordeelde, leest u in onderstaande blog.

Casus
De predikant oefent sinds 1986 zijn ambt uit binnen de Gereformeerde Kerken in Nederland. Op 1 september 2013 verbindt de predikant zich aan de Protestantse Gemeente. Na een conflict tussen de Protestantse Gemeente en de predikant, wordt hij per 1 augustus 2020 zogenoemd ‘losgemaakt’. ‘Losmaken’ is de binnen de kerk gebruikte term voor het beëindigen van de samenwerking of de verbintenis met een predikant.

De predikant vordert vervolgens betaling van een transitievergoeding in verband met de losmaking. De Protestantse Gemeente stelt echter dat er geen arbeidsovereenkomst tussen partijen bestaat waardoor de predikant geen recht heeft op een transitievergoeding.

Oordeel kantonrechter
De kantonrechter is van oordeel dat tussen partijen geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, maar van een overeenkomst ‘sui generis’ (naar eigen aard). In deze situatie betekent dit dat de verhouding tussen partijen niet in de wet is geregeld, maar door een samenstel van Kerkelijke regelingen wordt beheerst.

Een kerkgenootschap bepaalt doorgaans zelf, op basis van de kerkelijke regelingen, hoe invulling wordt gegeven aan de functie van predikant en mag een dergelijke overeenkomst dus in beginsel naar eigen inzicht vormgeven. Daarbij mag zelfs worden afgeweken van dwingend recht, tenzij afwijking gelet op de fundamentele aard van het recht, niet kan worden aanvaard. De Hoge Raad heeft dit al eerder bepaald in een uitspraak uit 2019.

De predikant heeft gesteld dat het recht op transitievergoeding van fundamentele aard is zodat hem dit recht niet kan worden ontnomen. De kantonrechter gaat hier echter niet in mee en wijst de vordering van de predikant af. Daarbij neemt de kantonrechter mede in aanmerking dat de predikant op grond van de Kerkelijke regelingen recht heeft op een in meerdere opzichten gunstigere regeling dan de wettelijke ontslagregeling. De duur van het wachtgeld dat de predikant toekomt, is langer dan de uitkering op grond van de WW zou zijn. Het wachtgeld is bovendien hoger dan een WW-uitkering en de predikant kan gebruik maken van een regeling voor vrijwillige voorzetting van het pensioen. Deze regelingen wijken volgens de kantonrechter niet zodanig af van dwingend recht dat met toepassing daarvan een recht van fundamentele aard wordt geschonden. Het enkele feit dat in de kerkelijke regelingen niet een met de transitievergoeding vergelijkbare regeling is opgenomen, is onvoldoende.

Conclusie
Al met al ging het in deze zaak om een specifieke (uitzonderlijke) situatie waarin het arbeidsrecht opzij werd gezet door Kerkelijke regelingen van het kerkgenootschap. Hiervan zal doorgaans niet snel sprake zijn, omdat bij samenloop van verschillende overeenkomsten het arbeidsrecht voorrang heeft.

Heeft u naar aanleiding van deze blog vragen? Neem dan gerust contact op met Marjolein Moorman.

Uw eerste aanspreekpunt:

Marjolein Moorman

Aanpakken, maar vooral doorpakken typeren mij in mijn werk. Als nuchtere Drent ben ik niet snel onder de indruk en draai ik niet om de hete brij heen. Ik streef naar heldere en bondige (juridische) adviezen.

Klik voor meer binnnen de categorie