De Kaderrichtlijn Water is een Europese richtlijn voor de bescherming en verbetering van oppervlaktewater en grondwater. De richtlijn bevat doelen voor waterlichamen, verplichtingen om achteruitgang te voorkomen en een opgave om de toestand van waterlichamen te verbeteren.
De Kaderrichtlijn Water is niet alleen relevant voor waterbeheerders. Ook bij vergunningen, projecten, lozingen, grondwateronttrekkingen en ruimtelijke ontwikkelingen kan de KRW een rol spelen. Dat is met name het geval wanneer een activiteit gevolgen kan hebben voor de chemische, ecologische of kwantitatieve toestand van een waterlichaam.
Onze advocaten waterrecht adviseren over de juridische betekenis van de KRW voor projecten, vergunningen, beleid en procedures.
De Kaderrichtlijn Water werkt met afgebakende oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen. Voor deze waterlichamen gelden afzonderlijke doelen.
Voor oppervlaktewater gaat het onder meer om:
De Kaderrichtlijn Water is in Nederland uitgewerkt in de Omgevingswet, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het stelsel van waterprogramma's. De concrete gevolgen verschillen per besluit en activiteit.
De Kaderrichtlijn Water kan bijvoorbeeld relevant zijn bij:
De KRW is daarmee geen los toetsingskader dat altijd en overal op dezelfde wijze wordt toegepast. De betekenis hangt af van de activiteit, het betrokken waterlichaam, het bevoegde gezag en de regels waarop het besluit is gebaseerd.
Een belangrijk uitgangspunt van de Kaderrichtlijn Water is dat de toestand van waterlichamen niet mag verslechteren. Daarnaast moeten lidstaten toewerken naar de vastgestelde doelen voor oppervlaktewater en grondwater.
Bij een activiteit met mogelijke gevolgen voor een waterlichaam moet daarom worden beoordeeld of die activiteit een relevant risico op verslechtering veroorzaakt. Ook kan van belang zijn of de activiteit het behalen van KRW-doelen belemmert. Het achteruitgangsverbod speelt in de praktijk vooral bij besluiten over concrete activiteiten met een direct effect op een waterlichaam.
Dat kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij:
De KRW-toestand wordt beoordeeld per waterlichaam. Voor de officiële beoordeling geldt het one out, all out-principe: een oppervlaktewaterlichaam bereikt alleen een goede toestand wanneer het voldoet aan alle relevante eisen voor de chemische en ecologische toestand. Wanneer één parameter of kwaliteitselement onvoldoende scoort, wordt het waterlichaam niet als in een goede toestand aangemerkt.
Dit beoordelingsprincipe betekent echter niet zonder meer dat iedere nieuwe activiteit in de buurt van een waterlichaam verboden is zodra één KRW-norm niet wordt gehaald. Voor een concreet besluit blijft de vraag centraal staan of de activiteit leidt tot een verboden achteruitgang of het behalen van de toepasselijke doelen belemmert.
De bestaande toestand van een waterlichaam is daarmee een relevant vertrekpunt bij de beoordeling van nieuwe activiteiten. Dat betekent niet dat bij een waterlichaam dat niet aan alle doelen voldoet, iedere ontwikkeling onmogelijk is. Wel kan een nauwkeurige analyse nodig zijn van de effecten van het project, de beschikbare ruimte en eventuele mitigerende maatregelen.
Welke rol spelen stroomgebiedbeheerplannen en waterprogramma's?
De doelen en maatregelen voor de Kaderrichtlijn Water worden op nationaal niveau uitgewerkt in stroomgebiedbeheerplannen. Deze plannen geven per stroomgebied inzicht in de toestand van waterlichamen, de opgaven en de maatregelen die nodig zijn om de KRW-doelen te bereiken.
Daarnaast werken overheden de Kaderrichtlijn Water uit in waterprogramma's en beheerprogramma's. Provincies leggen regionale waterdoelen en maatregelen vast in regionale waterprogramma's. Waterschappen werken hun beheertaken en maatregelen voor regionale watersystemen uit in waterbeheerprogramma's.
Deze programma's zijn niet steeds rechtstreeks beslissend voor een concrete vergunningaanvraag. Zij kunnen wel van betekenis zijn voor de uitleg van doelen, de onderbouwing van een besluit en de beoordeling van maatregelen.
Naast waterlichamen kent de Kaderrichtlijn Water beschermde gebieden waarvoor aanvullende doelen of normen gelden. Deze gebieden zijn opgenomen in het register van beschermde gebieden.
Het gaat onder meer om:
Voor deze gebieden kunnen aanvullende omgevingswaarden gelden. Waterbeheerders moeten maatregelen opnemen in waterprogramma's en stroomgebiedbeheerplannen om aan die normen te voldoen.
De Kaderrichtlijn Water komt in beeld wanneer een activiteit merkbare gevolgen kan hebben voor een waterlichaam of beschermd gebied. Dat kan spelen bij industriële activiteiten, lozingen, grondwateronttrekkingen, infrastructuur, gebiedsontwikkelingen en werkzaamheden in of nabij een watersysteem.
Voor initiatiefnemers is het belangrijk om mogelijke KRW-aspecten vroegtijdig te signaleren. Voor bestuursorganen is een zorgvuldig gemotiveerd besluit nodig, waarin de relevante effecten en het toepasselijke juridische kader inzichtelijk worden gemaakt.
Heeft u een vraag over de Kaderrichtlijn Water, een waterrechtelijke vergunning of de gevolgen van de KRW voor een project? Neem dan contact op met één van onze specialisten waterrecht.
Elzelou Grit is advocaat en vennoot bij Yspeert advocaten, gespecialiseerd in waterrecht, bestuursrecht en omgevingsrecht. Zij begeleidt overheden, projectontwikkelaars en bedrijven bij juridische procedures en vergunningtrajecten rondom waterbeheer, infrastructuur en ruimtelijke ordening. Met haar ervaring aan zowel publieke als private zijde overziet zij de bestuurlijke en juridische complexiteit van watergerelateerde dossiers. Elzelou adviseert over vergunningen, handhaving, onteigening en milieutoestemmingen, en publiceert regelmatig over actuele ontwikkelingen in het bestuursrecht.
Team :