Een tegenstrijdig belang: Getir-arrest | Yspeert Advocaten
Responsible AI

Een tegenstrijdig belang: wanneer moet een bestuurder, DGA of commissaris zich afzijdig houden?

  • event 30-06-2026
  • schedule 10:30
  • timer 7 minuten

Het Getir-arrest verduidelijkt hoe binnen een bestuur moet worden omgegaan met een tegenstrijdig belang. Een bestuurder met een mogelijk tegenstrijdig belang is verplicht om dit te melden aan zijn medebestuurders en daarover volledige openheid te betrachten. Bij verschil van inzicht beslissen de overige bestuurders of sprake is van een tegenstrijdig belang dat de betreffende bestuurder uitsluit van deelname aan de beraadslaging en besluitvorming. Dit betekent voor u als bestuurder dat u tijdig moet zorgen voor duidelijke afspraken, openheid over mogelijke tegenstrijdige belangen en een zorgvuldig ingericht besluitvormingsproces.

Een bestuurder die ook grootaandeelhouder is, een bestuurder die namens meerdere concernvennootschappen optreedt, of een commissaris wiens eigen positie raakt aan een voorgenomen transactie. Het zijn voorbeelden van situaties die in de praktijk geregeld discussie oproepen met betrekking tot de vraag of sprake is van een tegenstrijdig belang. Mag een bestuurder of commissaris nog deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming wanneer zijn eigen positie of belang niet volledig parallel loopt aan het belang van de rechtspersoon? Juist omdat zulke situaties binnen ondernemingen regelmatig voorkomen, is het leerstuk van het tegenstrijdig belang al jaren een belangrijk aandachtspunt binnen het ondernemingsrecht.

De rechtspraak heeft het begrip 'een tegenstrijdig belang' in de afgelopen jaren verder aangescherpt. Waar de wet uitgaat van een tegenstrijdig belang bij een direct of indirect persoonlijk belang, hanteert de Ondernemingskamer al geruime tijd als standaardformule dat sprake is van een tegenstrijdig belang indien een bestuurder te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of de betrokken bestuurder of commissaris zich uitsluitend laat leiden door het belang van de rechtspersoon en de met haar verbonden onderneming.

De vraag die daarbij in de praktijk bleef bestaan, was hoe met dat criterium moet worden omgegaan en wie uiteindelijk beslist of sprake is van een tegenstrijdig belang.

Met het Getir-arrest van 10 april 2026 heeft de Hoge Raad verduidelijkt hoe dit criterium binnen het bestuur moet worden toegepast en aan wie het oordeel daarover toekomt.

Wat heeft de Hoge Raad in het Getir-arrest beslist over een tegenstrijdig belang?

Met het Getir-arrest heeft de Hoge Raad de bestaande maatstaf voor een tegenstrijdig belang herhaald en verduidelijkt hoe deze in de praktijk moet worden toegepast. Onder de wettelijke regeling voor bestuurders van de BV en NV (artikel 2:129/239 lid 6 BW) en voor commissarissen (artikel 2:140/250 lid 5 BW) geldt dat doorslaggevend is of sprake is van zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of de betrokkene zich uitsluitend laat leiden door het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Ook heeft de Hoge Raad benadrukt dat de beoordeling of sprake is van een tegenstrijdig belang plaatsvindt aan de hand van alle relevante omstandigheden van het concrete geval.

Verder heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat het bij verschil van inzicht niet aan de betrokken bestuurder zelf is om te bepalen of sprake is van een tegenstrijdig belang; die beoordeling is aan de andere bestuurders.

Daarbij volgt uit het arrest tevens dat het op de weg ligt van de bestuurder met een mogelijk tegenstrijdig belang om daarover openheid te betrachten en dit aan zijn medebestuurders te melden. Indien vervolgens verschil van inzicht bestaat over het bestaan van een tegenstrijdig belang, beslissen de overige bestuurders of sprake is van een tegenstrijdig belang dat deelname aan beraadslaging en besluitvorming uitsluit. Dat geldt ook indien de betrokken bestuurder dit mogelijke tegenstrijdig belang niet uit eigen beweging heeft gemeld.

Relevantie voor de praktijk

De relevantie van deze ontwikkeling zit vooral in de wijze waarop het criterium van een tegenstrijdig belang in de praktijk moet worden toegepast. Juist bij een tegenstrijdig belang werkt die beoordeling in de praktijk snel door in de besluitvorming.

Voor het aannemen van een tegenstrijdig belang is niet vereist dat vaststaat dat een bestuurder daadwerkelijk zijn eigen belang boven dat van de vennootschap heeft gesteld. Voldoende is dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich uitsluitend laat leiden door het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.

Daardoor krijgt het leerstuk van een tegenstrijdig belang direct betekenis voor de dagelijkse governancepraktijk. Zeker in situaties waarin bestuurders verschillende rollen combineren, of waarin eigendom, zeggenschap en bestuur dicht op elkaar zitten, zal sneller discussie ontstaan over de vraag of iemand nog aan beraadslaging en besluitvorming mag deelnemen.

De gevolgen kunnen daarbij verstrekkend zijn. Wanneer een bestuurder wegens een tegenstrijdig belang buiten de besluitvorming moet blijven, kan dat in kleine besturen of vennootschappen met strakke quorum- en meerderheidseisen direct tot een impasse leiden. Juist omdat de maatstaf uitgaat van redelijke twijfel, is het in de praktijk niet eenvoudig om die twijfel volledig weg te nemen, terwijl uitsluiting van een bestuurder er tegelijk toe kan leiden dat besluitvorming niet meer mogelijk is. Dat maakt het onderwerp tegenstrijdig belang in de praktijk niet alleen juridisch relevant, maar ook bestuurlijk en operationeel gevoelig.

Het Getir-arrest onderstreept daarbij dat een tegenstrijdig belang niet alleen een inhoudelijke beoordeling is, maar nadrukkelijk ook een vraag van proces en governance: het tijdig signaleren, melden en gezamenlijk beoordelen van een tegenstrijdig belang binnen het bestuur is essentieel voor rechtsgeldige besluitvorming.

De OCI-beschikking laat zien hoe ver de uitsluiting wegens een tegenstrijdig belang kan reiken

Hoe ver deze lijn in de praktijk kan doorwerken, blijkt uit de OCI-beschikking van de Ondernemingskamer van 19 januari 2026. In die zaak ging het om een voorgenomen transactie rond de laatste Nederlandse fabriek van OCI in Geleen, waarbij een combinatie met een andere vennootschap van de grootaandeelhouder in beeld was. De aan de grootaandeelhouder verbonden bestuurders hadden zich voor de uiteindelijke besluitvorming teruggetrokken, waarna onafhankelijke bestuurders het besluitvormingsproces overnamen. Daarbij waren ook aanvullende waarborgen getroffen, waaronder het laten opstellen van een fairness opinion.

Toch vond de Ondernemingskamer dat onvoldoende. Van belang was dat de met de grootaandeelhouder verbonden bestuurders in de voorbereidende fase nog wel hadden meegepraat over de verschillende alternatieven. Daarbij hadden zij ook een voorkeur uitgesproken. Volgens de Ondernemingskamer was de twijfel over de onafhankelijkheid van de besluitvorming daardoor niet weggenomen. De gevolgen waren aanzienlijk: een enquête werd gelast, het voorstel mocht niet aan de algemene vergadering worden voorgelegd en twee onafhankelijke bestuurders werden benoemd die als enigen mochten beslissen over het verdere traject. OCI laat daarmee zien dat niet alleen het eindbesluit telt, maar ook de mate van betrokkenheid in de aanloop daarnaartoe. Dit sluit aan bij het kader dat de Hoge Raad in het Getir-arrest heeft geschetst, maar laat zien dat de toepassing daarvan in de praktijk ver kan reiken.

Wat betekent deze lijn voor bestuurders, directeuren-grootaandeelhouders en commissarissen?

Voor bestuurders betekent deze rechtspraak dat scherper moet worden gekeken naar de vraag op welk moment iemand zich uit het besluitvormingsproces moet terugtrekken. Tegen de achtergrond van het Getir-arrest betekent dit bovendien dat een bestuurder met een mogelijk tegenstrijdig belang tijdig openheid moet geven, omdat de beoordeling of sprake is van een tegenstrijdig belang niet bij hemzelf ligt, maar bij de overige bestuurders. Waar soms nog de gedachte bestond dat het voldoende was om uiteindelijk niet mee te stemmen, blijkt uit OCI dat ook deelname aan de voorbereiding problematisch kan zijn bij de beoordeling van een mogelijk tegenstrijdig belang. Een bestuurder die meedenkt, richting geeft of een voorkeur uitspreekt, kan daarmee al bijdragen aan twijfel over de zuiverheid van de uiteindelijke afweging. Dat geldt temeer in situaties waarin de bestuurder ook aandeelhouder is, banden heeft met een wederpartij of optreedt binnen meerdere concernvennootschappen.

Voor DGA's is dat in het bijzonder relevant. Juist zij bevinden zich vaak in een positie waarin eigendom, bestuur en economische belangen samenkomen. Dat is op zichzelf niet ongebruikelijk, maar het kan onder de huidige rechtspraak wel sneller aanleiding geven tot discussie over een tegenstrijdig belang. Ook voor commissarissen is deze ontwikkeling van belang. Voor hen geldt op grond van artikel 2:140/250 lid 5 BW een vergelijkbare regeling, zodat dezelfde vragen zich ook in het interne toezicht kunnen voordoen. Daarnaast is dit onderwerp niet beperkt tot de BV en NV: vergelijkbare bepalingen gelden sinds 2021 ook voor verenigingen en stichtingen. Daarmee is het leerstuk van een tegenstrijdig belang breder relevant voor organisaties waarin governance en toezicht een belangrijke rol spelen.

Tegen de achtergrond van het Getir-arrest betekent dit bovendien dat bestuurders tijdig openheid moeten geven, omdat de beoordeling van een tegenstrijdig belang bij het bestuur als geheel ligt.

Wat vraagt dit van de governance in de praktijk?

De eerste praktische les is dat organisaties hun statuten, reglementen en interne besluitvormingsprocessen kritisch tegen het licht moeten houden. Een algemene bepaling over tegenstrijdig belang is vaak niet genoeg. Ook moet duidelijk zijn wie binnen de organisatie beoordeelt of van een tegenstrijdig belang sprake is, wat de gevolgen daarvan zijn voor de beraadslaging en besluitvorming en hoe wordt gehandeld als daardoor een impasse ontstaat. Juist in compacte bestuursstructuren of in ondernemingen met één of twee bestuurders kan dat direct relevant worden.

De tweede les is dat vroegtijdige signalering essentieel is. Juist omdat de huidige maatstaf open en sterk feitelijk is, is het verstandig om mogelijke belangenverstrengeling al aan de voorkant in kaart te brengen. Wie zijn betrokken bij de voorbereiding? Welke belangen kunnen een rol spelen? Op welk moment moet iemand afstand nemen van het dossier? Een goed vastgelegd proces voorkomt niet dat discussie kan ontstaan, maar maakt wel inzichtelijk dat zorgvuldig is gehandeld. In de praktijk vraagt dit om duidelijke rolafbakening, zorgvuldige verslaglegging en een goed ingericht besluitvormingsproces.

De derde les is dat tijdige juridische toetsing veel problemen kan voorkomen. Dat geldt niet alleen bij ingrijpende transacties, maar ook bij interne herstructureringen, benoemingen of andere besluiten waarbij meerdere belangen samenkomen. Zeker voor DGA's, bestuurders van familiebedrijven, commissarissen en organisaties met een beperkte bestuurlijke bezetting is het verstandig om vooraf te laten toetsen of de besluitvorming goed is ingericht. Een tijdige toets op tegenstrijdig belang kan zo bijdragen aan zorgvuldigere governance en beter verdedigbare besluitvorming, en voorkomen dat een besluit achteraf wordt aangevochten of dat een organisatie onnodig in een procedure belandt.

Twijfelt u of binnen uw organisatie sprake kan zijn van een tegenstrijdig belang? Onze ondernemingsrechtspecialisten denken graag met u mee over uw statuten, reglementen en besluitvormingsprocessen, zodat risico's tijdig worden onderkend en de governance zorgvuldig is ingericht. Neem gerust contact met ons op voor advies over tegenstrijdige belangen.

Delen
Geschreven door:

Marleen studeerde Nederlands Recht aan de Rijksuniversiteit Groningen, met een focus op ondernemingsrecht. Marleen is geboren en getogen in Friesland en heeft haar juridische carrière opgebouwd in het noorden van Nederland. Binnen de advocatuur heeft Marleen brede ervaring opgedaan, met een duidelijke specialisatie in ondernemingsrecht. Cliënten waarderen haar om haar empathische en toch doelgerichte aanpak. Met haar nuchtere en gedreven houding, weet zij complexe vraagstukken eenvoudiger te maken en tot een oplossing te krijgen. Marleen is lid van JCI Friesland.


Geschreven door:

Klik voor meer blogs over Ondernemingsrecht

Neem contact op

Klik hier voor het privacybeleid van Yspeert advocaten n.v.