De Zelfstandigenwet introduceert een nieuw wettelijk toetsingskader voor zzp'ers en opdrachtgevers. De wet voor zelfstandigen beoordeelt zowel het ondernemerschap van de zelfstandige als de inrichting van de werkrelatie. Met de wet probeert de wetgever meer duidelijkheid te creëren over de grens tussen zelfstandig ondernemerschap en schijnzelfstandigheid. Tegelijk blijft ook onder de Zelfstandigenwet de feitelijke uitvoering van de samenwerking bepalend voor de kwalificatie van de arbeidsrelatie.
Wat verandert er voor werkgevers en opdrachtgevers door de Zelfstandigenwet?
Het initiatiefwetsvoorstel voor de Zelfstandigenwet moet meer duidelijkheid geven over de vraag wanneer iemand als zelfstandige voor een opdrachtgever kan werken. De aanleiding voor het voorstel is de voortdurende discussie over schijnzelfstandigheid. Op dit moment ontbreekt een duidelijk wettelijk kader voor de kwalificatie van een werkrelatie. Partijen zijn daardoor sterk afhankelijk van de beoordeling achteraf door de Belastingdienst en rechters.
Het wetsvoorstel introduceert een wettelijk toetsingskader voor wanneer iemand als zelfstandige werkt. Daarbij wordt gekeken of de zelfstandige daadwerkelijk als ondernemer fungeert én naar de manier waarop de samenwerking tussen de opdrachtgever en de zelfstandige is vormgegeven. Daarmee moet de nieuwe wet meer duidelijkheid bieden over de kwalificatie van arbeidsrelaties met zzp'ers.
De Zelfstandigenwet is nog niet in werking getreden en bevindt zich in de voorbereidende fase: het kabinet werkt het wetsvoorstel uit en streeft naar aanbieding aan de Raad van State eind 2026, met als beoogde ingangsdatum 1 januari 2028.
Hoe toetst de Zelfstandigenwet op schijnzelfstandigheid?
De voorgestelde Zelfstandigenwet werkt met verschillende onderdelen. De kern bestaat uit een zelfstandigentoets en een werkrelatietoets. Daarnaast kan voor bepaalde sectoren een extra rechtsvermoeden gelden en wordt er een Commissie Beoordeling Toetsingskader ingesteld.
Net als nu ook al het geval is, wordt bij de beoordeling gekeken naar de werkelijke uitvoering van de samenwerking. Er wordt dus niet alleen gekeken naar wat partijen op papier met elkaar zijn overeengekomen. De feitelijke uitvoering blijft ook bij de Zelfstandigenwet van groot belang.
Een belangrijk verschil is ook dat de bedoeling van partijen weer expliciet onderdeel wordt van de beoordeling. Die bedoeling is volgens het voorstel echter alleen relevant als deze aansluit bij de feitelijke uitvoering van de werkrelatie.
De zelfstandigentoets
De zelfstandigentoets in de Zelfstandigenwet beoordeelt als eerste of een persoon daadwerkelijk als zelfstandig ondernemer kan worden aangemerkt. Voor organisaties die werken met zzp'ers vormt deze toets uit de Zelfstandigenwet straks een belangrijk hulpmiddel bij het beoordelen van schijnzelfstandigheid.
De Zelfstandigenwet noemt daarbij de volgende vijf criteria. Aan alle criteria moet zijn voldaan.
- de zelfstandige werkt voor eigen rekening en risico;
- de zelfstandige voert een deugdelijke administratie;
- de zelfstandige gedraagt zich in het economisch verkeer als zelfstandig ondernemer;
- de zelfstandige heeft een adequate voorziening getroffen voor het risico van arbeidsongeschiktheid;
- de zelfstandige heeft voorzien in een proportionele bijdrage voor een voorziening bij pensionering.
Ad 1. De zelfstandige werkt voor eigen rekening en risico
Een zzp'er draagt zelf het financiële risico van de onderneming en de werkzaamheden. Denk bijvoorbeeld aan het risico dat een klant niet betaalt, aansprakelijkheid voor schade of extra kosten bij herstelwerkzaamheden die de zelfstandige zelf dient te dragen. Ook het ontbreken van afspraken over loondoorbetaling bij ziekte en het hebben van meerdere opdrachten of opdrachtgevers kunnen hierbij een rol spelen.
Ad 2. De zelfstandige voert een deugdelijke administratie
Van een zelfstandige wordt verwacht dat hij een administratie voert die past bij de verantwoordelijkheden en verplichtingen die het ondernemerschap met zich brengt.
Het voorstel noemt onder meer een inschrijving bij de Kamer van Koophandel, een zakelijke rekening, facturatie aan opdrachtgevers en een geldige overeenkomst als aanwijzingen voor het ondernemerschap.
Ad 3. De zelfstandige gedraagt zich in het economisch verkeer als zelfstandig ondernemer
De zzp'er moet zich ook naar buiten toe als ondernemer presenteren en gedragen. Hierbij kan worden gekeken of de zelfstandige een eigen website en zakelijk e-mailadres heeft en ook acquisitieactiviteiten onderneemt, reclame maakt of lid is van netwerkclubs. Ook eigen investeringen in apparatuur, materialen of opleidingen kunnen hierbij een rol spelen.
Ad 4. De zelfstandige heeft een adequate voorziening getroffen voor arbeidsongeschiktheid
De zzp'er moet een voorziening hebben voor het risico dat hij of zij door arbeidsongeschiktheid inkomen verliest. Volgens de toelichting kan dit bijvoorbeeld een arbeidsongeschiktheidsverzekering zijn of voldoende eigen vermogen als financieel vangnet. De zzp'er krijgt daarbij ruimte om zelf te bepalen hoe de voorziening wordt vormgegeven.
Ad 5. De zelfstandige heeft voorzien in een proportionele bijdrage voor een voorziening bij pensionering
De zzp'er moet ook iets regelen voor het inkomen na pensionering. Het voorstel laat de vorm hiervan grotendeels vrij. Denk bijvoorbeeld aan pensioensparen, een pensioenfonds, een lijfrente of een andere vorm van vermogensopbouw. Wat 'proportioneel' is, wordt niet met één vast bedrag bepaald. De zelfstandige moet de gekozen voorziening zelf kunnen motiveren.
De genoemde voorbeelden zijn geen afzonderlijke harde eisen. Het wetsvoorstel beschouwt deze vooral als indicaties die kunnen helpen om te onderbouwen dat aan het betreffende criterium wordt voldaan.
De werkrelatietoets
Vervolgens kijkt de werkrelatietoets naar de samenwerking tussen de zelfstandige en de opdrachtgever. Deze toets maakt duidelijk of de werkrelatie buiten een arbeidsovereenkomst kan worden uitgevoerd. Binnen de Zelfstandigenwet vormt deze toets een belangrijk instrument voor de kwalificatie van arbeidsrelaties en de beoordeling van schijnzelfstandigheid.
De zelfstandigenwet noemt daarbij de volgende vier criteria. Aan alle criteria moet zijn voldaan.
- vrijheid van organisatie van de werktijd;
- vrijheid van organisatie van het werk;
- afwezigheid van hiërarchische controle;
- de wil van de partijen om als zelfstandige samen te werken.
Ad 1. Vrijheid van werktijd
De zzp'er moet een grote mate van vrijheid hebben om de eigen werktijd en zijn vakantie te bepalen. Een opdrachtgever die de werktijden volledig voorschrijft, kan daarmee dus invloed hebben op de kwalificatie van de werkrelatie.
Ad 2. Vrijheid van organisatie van het werk
Ook moet de zzp'er voldoende vrijheid hebben om te bepalen hoe het werk wordt uitgevoerd of georganiseerd. Het gaat daarbij om de mate van autonomie binnen de opdracht.
Ad 3. Geen hiërarchische controle
De derde voorwaarde ziet op hiërarchische controle. De vraag is of de opdrachtgever directe hiërarchische controle over de zzp'er kan uitoefenen.
Ad 4. De bedoeling van partijen
Tot slot speelt de bedoeling van partijen een rol. Beide partijen moeten de werkrelatie uit vrije wil als een opdrachtovereenkomst aangaan. Die bedoeling moet wel overeenkomen met de concrete uitvoering van de samenwerking.
Sectoraal rechtsvermoeden bij schijnzelfstandigheid
De Zelfstandigenwet biedt daarnaast de mogelijkheid om voor bepaalde sectoren een extra rechtsvermoeden in te voeren. Met dit onderdeel van de Zelfstandigenwet wil de wetgever extra handvatten bieden voor sectoren waar schijnzelfstandigheid vaker voorkomt. Ook kan het gaan om sectoren waarin het onderscheid tussen werknemerschap en zelfstandigheid lastig te maken is.
Bij een sectoraal rechtsvermoeden kan op basis van meerdere criteria worden vermoed dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. Dat vermoeden kan vervolgens worden weerlegd aan de hand van de algemene criteria van de werkrelatietoets.
Een nieuwe commissie voor beoordeling
Een ander belangrijk onderdeel van de Zelfstandigenwet is de voorgestelde Commissie Beoordeling Toetsingskader Zelfstandigenwet.
Deze commissie kan op verzoek van een zelfstandige, een opdrachtgever of beide partijen een uitspraak doen over de kwalificatie van de overeenkomst: arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht. Hiermee introduceert de wet een extra mechanisme om vooraf meer duidelijkheid te krijgen over de vraag of sprake is van een overeenkomst van opdracht of een arbeidsovereenkomst.
Een uitspraak van de commissie is in beginsel bindend voor partijen. Wie het niet eens is met de uitspraak, kan binnen acht weken naar de rechter stappen. De Belastingdienst, het UWV en de Nederlandse Arbeidsinspectie moeten een uitspraak over de kwalificatie volgen.
De bedoeling is dat de commissie niet iedere afzonderlijke zzp-opdracht beoordeelt, maar dat op basis van gepubliceerde uitspraken richting wordt gegeven aan vergelijkbare situaties.
Biedt de Zelfstandigenwet meer duidelijkheid over schijnzelfstandigheid?
De Zelfstandigenwet brengt meer voorspelbaarheid, maar geen absolute zekerheid. Voor opdrachtgevers, werkgevers, overheden en instellingen biedt de wet meer houvast bij de beoordeling van arbeidsrelaties met zelfstandigen en zzp'ers. De combinatie van de zelfstandigentoets en de werkrelatietoets moet meer duidelijkheid geven over schijnzelfstandigheid en de kwalificatie van arbeidsrelaties.
Daarmee wordt de grens tussen zelfstandig ondernemerschap en werknemerschap niet volledig zwart-wit. Ook onder deze nieuwe wet blijft het noodzakelijk om naar de daadwerkelijke samenwerking te kijken. De wet biedt dus geen garantie dat iedere arbeidsrelatie vooraf met volledige zekerheid kan worden gekwalificeerd. Wel maakt het wettelijk vastgelegde toetsingskader voor zzp'ers en opdrachtgevers beter inzichtelijk wanneer sprake is van zelfstandig ondernemerschap en wanneer een arbeidsovereenkomst in beeld komt.
Heeft u vragen over de voorgestelde Zelfstandigenwet? Neem gerust contact op met Femke Westra of één van onze andere arbeidsrechtspecialisten.