Vrij verkeer van detailhandel (?!)

Niet alle belangrijke zaken vinden plaats in de Randstad. Veel relevante omgevingsrechtelijke uitspraken vinden hun oorsprong in Noord-Nederland. Eind januari was er weer zo’n noordelijke omgevingsrechtelijke ‘knaller’. Ditmaal van het Hof van Justitie van de EU. Deze Europeesrechtelijke uitspraak gaat over de vestiging van een kleding- en schoenenwinkel (detailhandel van niet-volumineuze goederen) in een leegstaand pand op een bedrijventerrein in Appingedam. Dichter bij huis kunnen wij het haast niet krijgen. Over deze uitspraak is al het nodige geschreven. Voor het geval u deze thuiswedstrijd gemist heeft toch nog een verslag.

Bedrijventerrein in Appingedam

De Gemeente Appingedam heeft, zoals bijna alle gemeenten, een bedrijventerrein waarop op grond van het bestemmingsplan alleen ‘volumineuze detailhandel’ is toegestaan. Dit betekent dat op deze terreinen alleen zaken verkocht mogen worden zoals auto’s, meubelen, keukens en bouwmaterialen. Dit is een (heel) veel voorkomende ‘brancheringsregeling’ in een bestemmingsplan. Eén van de pandeigenaren zag echter markt voor de vestiging van ‘gewone’ detailhandel, te weten schoenen en kleding.

Deze ondernemer voerde aan dat de beperking tot de verkoop van volumineuze goederen in het bestemmingsplan in strijd is met Europees recht en meer in het bijzonder de Dienstenrichtlijn. De Dienstenrichtlijn zorgt ervoor dat ondernemers vrij en concurrerend hun diensten (grensoverschrijdend) kunnen verlenen op de Europese markt.

Het argument van deze ondernemer was om twee redenen interessant:

  • De hoogste bestuursrechter (de Raad van State) was tot nu toe van oordeel dat de Dienstenrichtlijn niet zag op detailhandel. Met andere woorden was de Nederlandse bestuursrechter van oordeel dat detailhandel geen ‘dienst’ was in de zin van de richtlijn.
  • Alle betrokken partijen (eigenaar, detailhandelaar en de Gemeente Appingedam) zijn gevestigd in Nederland. Daarmee lijkt niet direct sprake van een grensoverschrijdend aspect.

Door de Raad van State zijn ‘prejudiciële vragen’ gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie bij verwijzingsuitspraak.

Europees oordeel

Het Hof van Justitie is anders dan onze Nederlandse rechter ten aanzien van het eerste punt van oordeel dat detailhandel wél een dienst is in de zin van de Dienstenrichtlijn.

De bepalingen uit de Dienstrichtlijn die het vrij verkeer beogen te beschermen, zijn daarmee van toepassing op regels die detailhandelaren op geografische of kwantitatieve wijze beperken. Een brancheringsregeling in het bestemmingsplan beperkt detailhandelaren, immers ‘gewone detailhandel’ mag zich op die locatie niet vestigen. De voorheen geldende Nederlandse rechterlijke opvatting lijkt daarmee onjuist.

Ten aanzien van het tweede punt oordeelt het Hof van Justitie dat de bepalingen van de Dienstenrichtlijn over de vrijheid van vestiging van dienstverrichters ook van toepassing zijn op een situatie waarvan alle relevante aspecten zich binnen één lidstaat afspelen. De grondslag voor dit oordeel is dat voor de volledige verwezenlijking van de interne dienstenmarkt belemmeringen moeten worden weggenomen die de dienstverrichters ondervinden om zich te vestigen in de lidstaten, of dat nu is in hun eigen of in een andere lidstaat. Nu de brancheringsregeling een belemmering is die dienstverrichters ondervinden bij vestiging in Nederland doet het feit dat alle partijen in deze zaak in Nederland gevestigd daarmee niet ter zake. Anders gezegd, de Dienstenrichtlijn is ook van toepassing op zuiver interne aangelegenheden.

Gevolgen

Betekent dit nu dat we in de toekomst een kledingwinkel aan gaan treffen tussen de bouwmarkt en de autoshowroom? Dat lijkt niet waarschijnlijk. Ook bij de toepassing van de Dienstenrichtlijn zijn beperkende regels in een bestemmingsplan denkbaar. Deze beperkingen dienen niet-discriminerend, noodzakelijk en evenredig te zijn. Het Hof van Justitie acht op voorhand het voorkomen van leegstand in een stadscentrum (doordat detailhandel naar buitenstedelijke bedrijventerrein vertrekt) een reden die een beperking kan rechtvaardigen. Dit argument wordt ook nu al veelal aan een brancheringsregeling in een bestemmingsplan ten grondslag gelegd. Voor projectontwikkelaars, gemeenten en provincies is het van belang bij ontwikkelingen, bestemmingsplannen en provinciale verordeningen beperkingen op dit gebied zorgvuldig – in het kader van de goede ruimtelijke ordening – te motiveren.

Heeft u naar aanleiding van het bovenstaande vragen bijvoorbeeld over bestemmingsplannen, provinciale verordeningen of de Dienstenrichtlijn? Neem dan contact op Elzelou Grit.

Uw eerste aanspreekpunt:

Elzelou Grit

Elzelou studeerde Nederlands Recht (cum laude) specialisatie Staats- en bestuursrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij werkte bij twee (middel)grote advocatenkantoren in Noord-Nederland en bij een bestuursrechtelijk en bestuurskundig onderzoeks- en adviesbureau voor overheden. Elzelou volgde de specialisatieopleiding Omgevingsrecht (voorheen ruimtelijke ordening en milieu) aan de Grotius Academie in Nijmegen. Tenslotte is zij lid/voorzitter van de Commissie Bezwaar en Beroep van de Provincie Flevoland. Deze commissie adviseert het college van Gedeputeerde Staten over de rechtmatigheid van genomen besluiten.

050 314 42 80 +31 (0) 6 550 000 98 e.grit@yspeert.nl