Hoge raad schept meer duidelijkheid over voorwaardelijk ontbindingsverzoek

Vóór de invoering van de Wet werk en zekerheid, de “WWZ”, kwam het regelmatig voor dat een werkgever een voorwaardelijk ontbindingsverzoek indiende. Dit gebeurde met name in de gevallen dat er sprake was van een ontslag op staande voet. Als de kantonrechter het ontslag op staande voet vernietigde, werd het voorwaardelijk ontbindingsverzoek behandeld en kon de arbeidsovereenkomst vaak alsnog worden beëindigd.

Op 13 oktober 2016 heeft de (advocaat-generaal van de) Hoge Raad zich uitgelaten over de vraag of er onder de WWZ nog ruimte bestaat voor een voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

Hoger beroep en cassatie gaven aanleiding tot discussie

Sinds de invoering van de WWZ bestaat er de mogelijkheid van hoger beroep en cassatie. Met name deze wijziging heeft voor discussie gezorgd over de mogelijkheid van een voorwaardelijk ontbindingsverzoek. Stel namelijk dat een ontslag op staande voet bij de kantonrechter stand houdt, maar het hof daar in hoger beroep anders over denkt. In dat geval zal het hof herstel van de arbeidsovereenkomst kunnen bevelen. Dat betekent dat de werkgever de werknemer een nieuwe arbeidsovereenkomst aan moet bieden onder dezelfde voorwaarden. Uit de praktijk blijkt ook dat sommige rechters niet inzien hoe de nieuwe arbeidsovereenkomst toch alvast ontbonden kan worden. Dit heeft geleid tot literatuur en rechtspraak met verschillende inzichten. De kantonrechter van de rechtbank Overijssel heeft daarom op 20 mei 2016 aan de Hoge Raad enkele prejudiciële vragen gesteld welke vragen de Hoge Raad op 13 oktober 2016 heeft beantwoord. In dit artikel vat ik de reactie van de Hoge Raad samen.

De toelaatbaarheid van het voorwaardelijk ontbindingsverzoek hangt af van de vraag of dit verzoek afhankelijk is gesteld van de vernietiging van de opzegging door de kantonrechter óf (mede) van het geval dat in hoger beroep of cassatie herstel van de arbeidsovereenkomst wordt bevolen.

Bij de Kantonrechter

Als het verzoek van een werknemer tot vernietiging van het ontslag wordt afgewezen, heeft een werkgever geen belang (meer) bij de voorwaardelijke ontbinding. De voorwaarde (te weten vernietiging van het ontslag) is in dat geval namelijk niet vervuld. In het geval dat op het verzoek van de werknemer tot vernietiging van het ontslag nog kan worden beslist (bijvoorbeeld omdat er nog getuigen moeten worden gehoord) heeft de werkgever wel voldoende belang bij een voorwaardelijk ontbindingsverzoek. De werkgever kan erop aandringen dat de kantonrechter eerder over de ontbinding dan over de opzegging zal beslissen. De kantonrechter zal in dat geval (indien daarvoor een voldoende wettelijke grondslag is) de ontbinding voorwaardelijk uitspreken namelijk voor het geval dat hij de opzegging (alsnog) zal vernietigen.

In hoger beroep of cassatie

Als het verzoek van een werknemer tot vernietiging van een opzegging door de kantonrechter wordt afgewezen, maar in hoger beroep vervolgens wordt geoordeeld dat dit ten onrechte is gebeurd, kan de werkgever tot herstel van de arbeidsovereenkomst of betaling van een billijke vergoeding worden veroordeeld. Bij deze beslissing moet het hof de mogelijkheid dat de arbeidsovereenkomst zou zijn ontbonden als het ontslag achterwege zou zijn gebleven, hoe dan ook betrekken. Een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst is naar het oordeel van de Hoge Raad niet op zijn plaats, als aannemelijk wordt geacht dat de arbeidsovereenkomst ook zonder het (onterechte) ontslag zou zijn ontbonden. In plaats van een veroordeling van de werkgever tot herstel van de arbeidsovereenkomst zal in dat geval een billijke vergoeding aan de werknemer worden toegekend. De werkgever heeft dus geen voldoende gerechtvaardigd belang bij een voorwaardelijke ontbinding, voor zover deze van een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst in hoger beroep of cassatie afhankelijk is gesteld.

Uitspraak Hoge Raad: geen bezwaar bij kantonrechter

In een voorwaardelijk ontbindingsverzoek voor het geval de kantonrechter de opzegging vernietigt, ziet de Hoge Raad geen bezwaar. Alhoewel een door de kantonrechter uitgesproken voorwaardelijke ontbinding de werkgever onder de WWZ minder zekerheid geeft dan onder het oude regime (vanwege de mogelijkheid van beroep en cassatie), vindt de Hoge Raad dat een werkgever wel degelijk een voldoende gerechtvaardigd belang heeft om te kunnen terugvallen op een ontbinding van de arbeidsovereenkomst per een zo vroeg mogelijke datum. Voorwaarde is dan wel dat de ontbinding niet afhankelijk wordt gesteld van een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst in hoger beroep of cassatie, maar van het oordeel van de kantonrechter dat het ontslag geen stand kan houden.

Heeft u naar aanleiding van dit blog vragen, neemt u dan gerust contact op met Kristien Croezen.

Uw eerste aanspreekpunt:

Kristien Croezen

Kristien studeerde Nederlands recht aan de RUG (specialisatie privaatrecht) en in de tussentijd ook HBO-rechten (bestuursrecht en privaatrecht) aan de Hanzehogeschool Groningen.  Voordat zij de advocatuur in ging, was zij onder meer griffier bij de sector civiel van de rechtbank Groningen. Kristien is met name actief op het gebied van huurrecht, arbeidsrecht en het gezondheidsrecht. Zij deelt haar ervaringen en kennis graag door middel van het geven van lezingen en schrijven van blogs.

050 207 16 08 +31 (0) 6 546 340 49 k.croezen@yspeert.nl