Commerciële contracten in tijden van de coronacrisis, hoe oordeelt de rechter?

Ten gevolge van het coronavirus vragen bedrijven zich steeds vaker af of zij hun contractuele verplichtingen nog wel na kunnen en moeten komen. Zeker nu voor een hoop bedrijven de tweede ‘lock-down’ een feit is. In een eerdere blog heeft u kunnen lezen dat een beroep op overmacht of onvoorziene omstandigheden in dergelijke gevallen mogelijk een uitkomst biedt.

In deze blog laten we u zien hoe een beroep op overmacht of onvoorziene omstandigheden heeft uitgepakt in de rechtspraak tot nu toe. We zullen eerst de belangrijkste conclusies voor u op een rijtje zetten om daarna ter illustratie een aantal uitspraken te bespreken.

Conclusies uit de rechtspraak

Een beroep op overmacht in het kader van de coronacrisis heeft weinig kans van slagen, omdat de contractuele verplichtingen van de debiteur veelal niet door de coronacrisis als zodanig verhinderd worden. Het niet kunnen voldoen aan (bijvoorbeeld) een betalingsverplichting komt daarom voor rekening van de debiteur.

Over het algemeen wordt in de rechtspraak aanvaard dat de coronacrisis, gelet op de omvang en de ingrijpende gevolgen voor de gehele economie en maatschappij, bij overeenkomsten gesloten tot medio maart 2020 wel kwalificeert als onvoorziene omstandigheid.

Hebben partijen nádat de coronacrisis uitbrak contracten gesloten waarin geen voorziening te dien aanzien is opgenomen (bijvoorbeeld in de vorm van een specifieke ‘coronaclausule’), dan kan niet worden gesproken van een onvoorziene omstandigheid en wordt dit geacht te zijn verdisconteerd in de overeenkomst.

Een beweerd nadeel van de partij die zich op onvoorziene omstandigheden beroept, moet voorts daadwerkelijk het gevolg zijn van de coronacrisis en niet (ook) van andere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld tekortschietend ondernemerschap of een uit de hand gelopen verbouwing.

Een beroep op onvoorziene omstandigheden door de partij die de overeenkomst wil wijzigen, bijvoorbeeld in de zin van een prijsvermindering omdat de prestatie die hij ontvangt aanzienlijk minder waard is geworden als gevolg van de coronacrisis, lijkt op basis van de rechtspraak gerechtvaardigd. Wel draagt deze partij een zware bewijslast. Het (financieel) nadeel dat de partij lijdt zal in detail moeten worden onderbouwd. Uit de rechtspraak volgt dat een beroep op onvoorziene omstandigheden regelmatig daarop stukloopt.

Omdat geen van beide partijen heeft bijgedragen aan het ontstaan van de coronacrisis, wordt het onredelijk geacht het nadeel (volledig) op één partij af te wentelen. In een aantal uitspraken wordt bij een geslaagd beroep op onvoorziene omstandigheden daarom een 50/50-verdeling van het risico als uitgangspunt gehanteerd. Bij de beoordeling van de risicoverdeling wordt overigens gekeken naar alle omstandigheden van het geval, wat maakt dat de risicoverdeling in specifieke gevallen steeds anders kan zijn.

Enkele voorbeelden

Rb. Midden-Nederland 24 juni 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:2418 (Feestzaal)

In deze zaak had een (voormalig) werkgever met een (voormalig) werknemer een vaststellingovereenkomst gesloten ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst, waarin aan de werknemer een vergoeding is toegekend. Toen de werknemer aanspraak wenste te maken op deze vergoeding beriep de werkgever zich voor wat betreft de betaling op (onder meer) overmacht, omdat hij als gevolg van de coronacrisis als uitbater van een grote feestzaal geen inkomsten meer had.

De kantonrechter oordeelde dat de prestatie zelf, namelijk de nakoming van de vaststellingsovereenkomst, niet is belemmerd door de coronacrisis. Betalingsonmacht, ongeacht of dit het gevolg is van de coronacrisis, blijft voor risico van de werkgever en ontheft haar niet van haar verplichting tot betaling aan de werknemer.

Rb. Amsterdam 20 mei 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2647 (Coltavast/Metroprop)

Een professionele koper van onroerend goed beriep zich in deze zaak op het moeilijk kunnen verkrijgen van financiering als gevolg van de coronacrisis en wenste daarom niet mee te werken aan de overdracht van de onroerende zaken.

Ook in dit geval oordeelde de kantonrechter dat de prestatie zelf, namelijk de levering van het onroerend goed, niet is belemmerd door de coronacrisis. De notariële leveringen kunnen immers gewoon plaatsvinden. Het standpunt van Metroprop dat het als gevolg van de coronacrisis moeilijker is om een financiering te verkrijgen, is een omstandigheid die voor hun eigen risico komt. Het beroep op overmacht slaagt dus niet.

 Rb. Amsterdam 20 mei 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2647 (Coltavast/Metroprop)

Nadat het beroep op overmacht in deze zaak is afgewezen, overweegt de voorzieningenrechter dat ook ten aanzien van het beroep op onvoorziene omstandigheden geldt dat financieel onvermogen van de debiteur veroorzaakt door de coronacrisis voor zijn rekening komt. Metroprop wordt als professionele vastgoedbelegger geacht zich bewust te zijn geweest van het risico indien wordt gekocht zonder dat de financiering rond is. Aanpassing van het contract ligt daarom niet in de rede.

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam dit oordeel bekrachtigd (Hof Amsterdam 10 juni 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1629 (Metroprop/Coltavast).

Rb. Gelderland (vzr.) 29 mei 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:2768 (Vitesse/Gelredome)

De voetbalclub Vitesse kon door de coronacrisis geen gebruik maken van het voetbalstadion de Gelredome en vorderde om die reden gehele of gedeeltelijke (terug)betaling dan wel vermindering van de huurprijs op grond van onvoorziene omstandigheden.

De kantonrechter kwalificeert de coronacrisis als onvoorziene omstandigheid die niet in de overeenkomst is verdisconteerd. Volgens de kantonrechter heeft Vitesse echter nagelaten haar financiële positie voldoende feitelijk en inhoudelijk te onderbouwen om te voldoen aan de zware toets die geldt bij een beroep op een al dan niet tijdelijke wijziging van de huurovereenkomst op grond van onvoorziene omstandigheden. Ook is niet duidelijk geworden in hoeverre aandacht is besteed aan besparingen als gevolg van de beperkingen door de coronacrisis. Bij gebreke hiervan wordt de vordering van Vitesse afgewezen.

Rb. Amsterdam 1 september 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4274 (CSU/Conservatorium Hotel)

Het Conservatorium Hotel maakt al jarenlang gebruik van de schoonmaakdiensten van CSU. Nadat het coronavirus uitbrak heeft het hotel aan CSU laten weten geen gebruik te willen maken van de schoonmaakdiensten in verband met de (tijdelijke) sluiting van het hotel. CSU claimt dat een maandelijkse afnameverplichting is overeengekomen en vordert nakoming.

Volgens de Amsterdamse voorzieningenrechter is het hotel op basis van het contract slechts verplicht de daadwerkelijk verrichte schoonmaakwerkzaamheden te betalen. Van een maandelijkse afnameverplichting is geen sprake. Daarnaast acht de rechter het aannemelijk dat het hotel een geslaagd beroep op onvoorziene omstandigheden kan doen en dat van haar geen ongewijzigde instandhouding van het contract mag worden verwacht. Partijen dienen met elkaar in overleg te treden over de aanpassing van de tarieven bij een verminderde uitvraag als gevolg van de coronacrisis.

Rb. Amsterdam 11 juni 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2914 (Restaurant de Wallen)

In deze zaak ging het om de vraag of de gevolgen van de coronacrisis meebrengen dat niet van de huurder kan worden verwacht dat hij zijn huurbetalingsverplichtingen (volledig) nakomt.

In het kader van onvoorziene omstandigheden oordeelt de kantonrechter dat de coronacrisis niet als ondernemersrisico kwalificeert en de tegenvallende bezoekersaantallen als gevolg van de crisis daarom niet voor risico van de huurder komen. Zeker niet nu het wegblijven van de bezoekers wordt veroorzaakt door een wereldwijde crisis met daarbij behorende overheidsmaatregelen die het gebruik van het gehuurde onmogelijk maken of ernstig belemmeren.

De kantonrechter acht het in dat kader redelijk dat de tegenvaller gelijkelijk over beide partijen wordt verdeeld, zij het dat bij de beoordeling daarvan rekening wordt gehouden met alle omstandigheden van het geval, zoals de maatschappelijke positie en onderlinge verhoudingen van partijen, alsmede de aard en ernst van de betrokken belangen van beide partijen.

Rb. Amsterdam (vzr.) 17 juli 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:3508 (EHM/Museum Hotel)

Het Museum Hotel deed in deze zaak een beroep op onvoorziene omstandigheden en vordert huurprijsvermindering, omdat de uitbraak van het coronavirus en de als gevolg daarvan genomen maatregelen een negatieve impact hebben op de exploitatie van het hotel.

De voorzieningenrechter begint door vast te stellen dat de coronacrisis in beginsel moet worden aangemerkt als onvoorziene omstandigheid. Het feit dat de overheidsmaatregelen niet inhielden dat hotels moesten sluiten, maakt dit niet anders.

Toch is een verlaging van de huurprijs niet aan de orde. Het hotel was namelijk al voordat het coronavirus uitbrak indringend aan een verbouwing begonnen waarvan de oplevering pas begin april 2020 was voorzien. De ontstane omzetderving was daarom niet slechts het gevolg van de coronacrisis, maar ook de renovatie van het hotel had daar een aandeel in.

Heeft u naar aanleiding van deze blog vragen? Neemt u dan gerust contact op met Wouter Leerink.

Uw eerste aanspreekpunt:

Wouter Leerink

Wouter Leerink deed de Master privaatrecht en ondernemingsrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen. Sinds 2010 heeft Wouter zich bij Yspeert gespecialiseerd in het bouw-, contracten- en ondernemingsrecht. Verder is Wouter actief als lid van de Junior Kamer Groningen (JCI), de Jongeren Commercieele Club Groningen (JCC), de Commercieele Club Groningen (CCG) en de Vereniging voor Bouwrecht-Advocaten (Vbr-A).

050 207 16 21 +31 (0) 6 514 370 57 w.leerink@yspeert.nl