werkgevers, let op bij het sluiten van een beëindigingsovereenkomst

  • event11-07-2016
  • schedule14:05
  • timer3 minuten
Met de invoering van de Wet werk en zekerheid (WWZ) is het voor veel werkgevers moeilijker geworden om werknemers te ontslaan. Mede om die reden proberen werkgevers steeds vaker om het dienstverband met wederzijds goedvinden te beëindigen door het sluiten van een beëindigingsovereenkomst. Per 1 juli 2015 is een wijziging ingevoerd in deze overeenkomst die voor onwelkome verrassingen kan zorgen, namelijk de bedenktermijn. Deze houdt in dat een werknemer het recht heeft om de beëindigingsovereenkomst ná de datum waarop deze tot stand is gekomen te ontbinden. De werknemer moet dat schriftelijk doen, maar hoeft daarvoor geen redenen op te geven.

De bedenktermijn bedraagt in beginsel veertien dagen en is vastgelegd met de gedachte om de werknemer te beschermen tegen het nemen van overhaaste beslissingen. De bedenktermijn is ook van toepassing na (extensieve) onderhandelingen tussen advocaten. Ook is de bedenktermijn eenentwintig dagen indien in de beëindigingsovereenkomst niet is opgenomen dat werknemer dit recht op ontbinding heeft.

Maar wanneer begint deze bedenktermijn te lopen? Vanaf het moment dat partijen naar elkaar (schriftelijk) hebben uitgesproken overeenstemming te hebben bereikt? Of op het moment dat beide partijen de overeenkomst hebben ondertekend? De wet bepaalt in het nieuwe artikel 7:670b BW alleen dat de termijn begint te lopen na de datum waarop de beëindigingsovereenkomst “tot stand is gekomen”.

Ook in mijn praktijk doet zich de vraag dan voor wat nu precies dat moment is “waarop de overeenkomst tot stand is gekomen”. De verwachting is, als je er volgens de theorie omtrent aanbod en aanvaarding naar zou kijken, dat dit bijvoorbeeld het moment is waarop (gevolmachtigde) partijen door middel van een e-mail aangeven akkoord te zijn met de tekst van de beëindigingsovereenkomst. In de praktijk wil de “fysieke” ondertekening soms (om puur praktische redenen zoals bijvoorbeeld een weekend) nog wel eens een paar dagen op zich laten wachten.

Een dergelijke situatie deed zich voor in de volgende zaak die aan de kantonrechter in Rotterdam werd voorgelegd. In die zaak waren de feiten als volgt. Op 21 september 2015 gaf de gemachtigde van de werknemer via de e-mail aan dat de beëindigingsovereenkomst akkoord was, onder de voorwaarde van een nog door
te voeren wijziging in de overeenkomst. Op 28 september 2015 tekent de werknemer de beëindigingsovereenkomst en op 9 oktober 2015 beroept de werknemer zich op de bedenktermijn. De werkgever stelde dat de bedenktermijn al verlopen was, omdat de werknemer op 21 september 2015 akkoord ging en de termijn dus op 5 oktober 2015 zou eindigen. Volgens de werknemer startte de termijn echter pas op het moment van ondertekenen, in dit geval op 28 september 2015, en was de bedenktermijn nog niet verlopen. Hij stapte naar de rechter voor loondoorbetaling en wedertewerkstelling.

Wie had gelijk? De kantonrechter oordeelde dat het moment van ondertekening doorslaggevend is voor de totstandkoming van de beëindigingovereenkomst en niet de schriftelijke overeenstemming per e-mail. De bedenktermijn was derhalve pas op 28 september 2015 gaan lopen. Aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:670b BW wordt dus niet voldaan door het vooraf bereiken van overeenstemming over de voorwaarden van die beëindigingsovereenkomst. Ook niet als die overeenstemming ‘zwart op wit’ blijkt uit de opeenvolgende e-mailwisselingen, zoals de werkgever het nieuwe artikel had begrepen. Volgens de kantonrechter had de werknemer de beëindigingsovereenkomst dus tijdig ontbonden.

Deze uitspraak gaat ver wordt niet door iedere kantonrechter gedeeld. Om te voorkomen dat discussie ontstaat over de aanvang van de bedenktermijn, adviseer ik werkgevers dan ook om er op toe te zien dat de werknemer zo spoedig mogelijk na de bereikte overeenstemming over het beëindigen van de arbeidsovereenkomst, persoonlijk zijn handtekening onder de beëindigingsovereenkomst zet.

 

Uw eerste aanspreekpunt:

Kristien Croezen

Als kind was ik erg nieuwsgierig. Ik zaagde volwassenen overal over door, wilde precies weten waarom iets gebeurde en hoe iets in elkaar zat. Die lijn heb ik in mijn werk doorgetrokken. Altijd wil ik exact achterhalen waar het pijnpunt zit, om daar vervolgens een concrete oplossing voor te bedenken. Het mooie aan het recht vind ik dat er altijd twee kanten van een verhaal zijn. Tegenover de cliënt wil ik eerlijk zijn over de risico’s die kleven aan zijn kant van de zaak. Geen gouden bergen beloven. Een geschil kan een cliënt behoorlijk dwars zitten en bezighouden. Ik vind het daarom belangrijk om goed bereikbaar te zijn om zo snel mogelijk het verhaal van de cliënt aan te horen en daarop in te kunnen springen.