nieuw! rvc voor stichtingen en verenigingen

  • event11-12-2017
  • schedule12:12
  • timer3 minuten
Het is al mogelijk bij de bv en de nv, maar door een nieuw wetsvoorstel kunnen stichtingen en verenigingen in de toekomst ook een Raad van Commissarissen (RvC) aanstellen. Dit zorgt echter wel voor wat vragen, namelijk of een Raad van Toezicht (RvT) nu ineens hetzelfde wordt als een RvC? En hoe zit het met de aansprakelijkheid van de commissarissen?

Raad van Toezicht of Raad van Commissarissen?


Het wetsvoorstel maakt het mogelijk dat elke rechtspersoon – dus ook een stichting of een vereniging – een RvC kan aanstellen. Dit is een keuze, geen verplichting. De RvC houdt toezicht op het beleid van het bestuur. Voor een vereniging is een orgaan als een RvC een nieuw verschijnsel, maar sommige stichtingen hebben al een RvT.

Wanneer RvC en wanneer RvT?

Het is niet zozeer van belang of het orgaan Raad van Toezicht of Raad van Commissarissen wordt genoemd. In de wet staat dat een RvC een orgaan is dat toezicht houdt op het beleid van het bestuur en de algemene gang van zaken binnen de stichting of vereniging. Als het orgaan aan deze eis voldoet, wordt dit orgaan gezien als een RvC en zijn dus ook de regels voor aansprakelijkheid van toepassing! Hieronder leest u wat dit voor gevolgen heeft.

Het kan echter ook zijn dat er een orgaan is ingesteld dat toezicht houdt op de financiën. Dit orgaan houdt geen toezicht op de algemene gang van zaken (slechts op de financiële zaken) en is dus geen RvC. Hetzelfde geldt voor een orgaan dat slechts het bestuur adviseert.

Het belangrijkste is dus: voldoet een orgaan aan de wettelijke omschrijving van een RvC, dan is het – ongeacht de naam van het orgaan – een RvC. Heeft het orgaan een andere functie, dan is het dus geen RvC. De naam van het orgaan – RvT, Raad van Advies etc. – is dan ook doorslaggevend.

Aansprakelijkheid


Aansprakelijkheid bij schade

Iets om rekening mee te houden is dat de leden van de RvC – de commissarissen – wettelijk aansprakelijk gehouden kunnen worden in bepaalde situaties. De commissarissen zijn namelijk verplicht om hun taak behoorlijk te vervullen. Als zij hun taak niet vervullen zoals een normaal, redelijk handelend commissaris dat onder dezelfde omstandigheden zou doen, dan is er sprake van onbehoorlijk toezicht.

Als de commissaris een ernstig verwijt gemaakt kan worden vanwege zijn onbehoorlijk toezicht, dan kan hij voor de schade die aan de stichting of vereniging is toegebracht, aansprakelijk gesteld worden. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de commissaris de stichting of vereniging strafbare handelingen laat verrichten. Denk hierbij aan een commissaris die geld witwast via een stichting.

Aansprakelijkheid bij faillissement

Ook bij faillissement van de stichting of vereniging is het mogelijk dat de commissaris aansprakelijk wordt gesteld, namelijk voor het tekort dat overblijft na vereffening van de boedel. Als de stichting of vereniging bijvoorbeeld failliet gaat doordat de commissaris onvoldoende toezicht hield op het bestuur, dan kan de commissaris door de curator aangesproken worden voor het tekort.

De invloed van de Corporate Governance Code

Bij grote – vaak beursgenoteerde – bedrijven zijn de bestuurders en commissarissen verplicht om een Corporate Governance Code te ondertekenen. In deze Code staan gedragsnormen voor bestuur waar bestuurders en commissarissen zich aan moeten houden.

Voor bestuurders en commissarissen van stichtingen en verenigingen geldt deze verplichting niet. Wel kunnen zij vrijwillig de Code ondertekenen. Dit heeft invloed op de beoordeling van de aansprakelijkheid van de commissaris. Schendt de commissaris de Code – die hij heeft ondertekend –,  dan neemt de rechter aan dat deze commissaris onbehoorlijk toezicht heeft gehouden. Het wettelijk begrip ‘onbehoorlijk toezicht’ wordt dus ingevuld door de Code.

Dit wetsvoorstel ligt nu bij de Tweede Kamer voor behandeling in de Kamer. Een en ander kan dus nog aangepast worden. Wij houden u via deze blog op de hoogte over het voorstel.

Uw eerste aanspreekpunt:

Paul Kostwinder

‘Mijn beroep maakt het voor mij mogelijk om kennis te maken met tal van ondernemingen en branches. Het bijzondere is dat veel problemen, hoewel ze wellicht van heel andere aard en soort lijken, toch veel gemeenschappelijk hebben. Vanuit mijn fiscale en ondernemingsrechtelijke achtergrond zijn bovendien de bedrijfseconomische gevolgen goed te begrijpen en kan een juridische oplossing worden gezocht. Als beroepsgroep zijn we altijd op zoek naar problemen die niet voor de hand liggen. Door vooruit te denken en strategisch te plannen, zijn veel moeilijkheden te voorkomen.’