Manager fraudeert, bank aansprakelijk voor de schade van zijn werkgever

  • event18-06-2020
  • schedule10:10
  • timer4 minuten
Onlangs deed de rechtbank Amsterdam een interessante uitspraak over de aansprakelijkheid van een bank tegenover een onderneming die geen klant bij die bank was. De casus was als volgt. Het Brabantse bedrijf TOM had in april 2017 een nieuwe manager finance aangenomen. Deze manager, die ik hierna “A” zal noemen, maakte vanaf de bankrekening van TOM grote bedragen over naar zijn eigen ING-bankrekening. In juli 2017 kreeg ING een alert binnen over een internationale transactie van EUR 100.000. ING heeft toen geen ongebruikelijke transactie gemeld. In september 2017 vroeg het Openbaar Ministerie (“OM”) bij ING saldo- en transactiegegevens van A op. ING is toen een intern onderzoek gestart naar het transactieverloop. Daar bleek onder meer uit dat er grote bedragen naar het buitenland werden doorgeboekt. A gaf als verklaring voor de tonnen die over zijn rekening liepen aan, dat hij zich een tijd met kansspelen bezig had gehouden. ING nam daar genoegen mee. Het OM vroeg in november 2017 en januari 2018 opnieuw saldo- en transactiegegevens van A op bij ING. Dat was voor ING geen aanleiding om nader onderzoek te doen. Op 23 januari 2018 werd A bij TOM op kantoor aangehouden. Op 27 februari 2018 heeft TOM ING aansprakelijk gesteld voor de schade. Zes weken later, op 3 april 2018, heeft ING de bankrekening van A geblokkeerd.

Is dat op tijd, of mosterd na de maaltijd? “Mosterd na de maaltijd”, zei TOM. “Op tijd”, vond ING. Wie heeft er gelijk? De hamvraag in deze casus is of ING aansprakelijk is voor de schade die TOM heeft geleden door de fraude van A. Het gaat dus over de aansprakelijkheid van een bank tegenover een derde, want TOM had geen rekening bij ING maar was wel veel geld kwijtgeraakt.

De rechtbank stelt voorop dat banken een centrale rol spelen in het betalings- en effectenverkeer en financiële dienstverlening. Daarom hebben zij op die gebieden een specifieke deskundigheid die andere niet hebben. Dat gegeven en de bijzondere maatschappelijke positie van banken rechtvaardigt dat de bank ook een zorgplicht heeft tegenover derden en niet alleen haar klanten. Deze zorgplicht is niet tot bepaalde derden (zoals bijvoorbeeld consumenten) beperkt. Ook ondernemingen zijn derden die de bank onder omstandigheden moet beschermen.

Volgens vaste rechtspraak moet de bank onderzoek doen als zij weet heeft van ongebruikelijke transacties dan wel een ongebruikelijk transactieverloop. Het moet daarbij gaan om ‘subjectieve wetenschap’ van die transacties, of om serieuze aanwijzingen voor onregelmatigheden. ING heeft gezegd dat zij niet op de hoogte was van de ongebruikelijke transacties en dat zij dacht dat de bedragen samenhingen met het salaris van A. De rechtbank maakt daar korte metten mee. De eerste uitvraag van het OM levert al een serieuze aanwijzing van onregelmatigheden op, en daarmee een noodzaak tot het doen van nader onderzoek. ING vond de verklaring van A voor de enorme transactiestroom (dat hij zich een tijdje met kansspelen had beziggehouden) echter voldoende. De rechtbank niet, en die neemt het ING ook kwalijk dat zij niet meteen na ontvangst van die ontoereikende verklaring nader onderzoek is gaan doen en de bankrekening van A heeft geblokkeerd. ING heeft nog aangegeven dat zij niet wist van de fraude. Daar komt ING bij de rechtbank niet mee weg, want er waren serieuze aanwijzingen voor fraude. Kortom: de rechtbank houdt ING aansprakelijk voor de schade die TOM heeft geleden door de fraude van A. Wel vindt de rechtbank dat TOM ook zelf beter had moeten opletten. De schade komt daarom voor 40% voor haar eigen rekening. ING moet 60% betalen.

Deze uitspraak toont aan dat banken de transactiestroom van hun klanten heel goed in de gaten moeten houden (monitoring). Er zijn verschillende wettelijke grondslagen die banken verplichten tot dergelijke monitoring. De uitspraak van de Amsterdamse rechter maakt in elk geval duidelijk dat als een bank bij de uitvoering van zo’n wettelijke verplichting op ongebruikelijke transacties stuit, zij een nader onderzoek moet instellen.

Zo’n ongebruikelijke transactie levert namelijk in elk geval subjectieve wetenschap van die ongebruikelijke transactie op, en dus ook subjectieve wetenschap van het gevaar dat derden mogelijk kunnen lopen als gevolg daarvan. Transactiemonitoring gebeurt softwarematig. ‘Ziet’ het systeem iets ongebruikelijks, dan genereert het een alert. De conclusie lijkt daarmee gerechtvaardigd dat subjectieve wetenschap ontstaat bij het ontvangen van zo’n alert. Dat leidt weer tot de conclusie dat een alert bij de bank een onderzoeksplicht triggert. Doet de bank dat onderzoek niet, dan ligt de weg naar schadevergoeding open.

Meer weten? Bel of mail Harm Jan Tulp.

Uw eerste aanspreekpunt:

Harm Jan Tulp

Sinds een seminar over beursvennootschappen in mijn studententijd heeft het Financieel Recht me nooit meer losgelaten. Op de Amsterdamse effectenbeurs en in de jaren erna als advocaat stond ik aan de kant van de grote instituten. Sinds 2003 sta ik vooral hun klanten bij.