Bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement

  • event20-11-2017
  • schedule10:23
  • timer2 minuten

Veranderingen voor bestuurders van stichtingen en verenigingen op komst


Er is een nieuw wetsvoorstel dat de bestuurdersaansprakelijkheid treft. Dit verandert mede de aansprakelijkheid voor bestuurders bij faillissement. Bent u bestuurder van een niet-commerciële stichting of vereniging? Lees dan hieronder wat er voor u verandert.

Wanneer ben ik aansprakelijk?


 Als bestuurder van een niet-commerciële stichting of vereniging – dit is een stichting of vereniging die geen vennootschapsbelasting betaalt, zoals een Stichting Dorpsbelangen of een buurtvereniging – kunt u aansprakelijk gesteld worden:

  • Voor schade bij onbehoorlijk bestuur;

  • Voor schade bij het faillissement van de stichting of vereniging;

  • Voor schade vanwege een onrechtmatige daad.


Nieuw is hier de aansprakelijkheid voor schade vanwege het faillissement van de stichting of vereniging.

Aansprakelijkheid vanwege faillissement


In de huidige situatie is een bestuurder bij een faillissement alleen aansprakelijk voor de schade vanwege onbehoorlijk bestuur en voor schade uit onrechtmatige daad. Door het wetsvoorstel kan de bestuurder in de nieuwe situatie aangesproken worden voor het tekort dat overblijft na vereffening van de boedel. Belangrijk om te weten is dat iedere bestuurder aansprakelijk is voor de gehele schade die door het gehele bestuur is veroorzaakt.

Voor aansprakelijkheid moet er ‘kennelijk onbehoorlijk’ zijn bestuurd. Kennelijk onbehoorlijk bestuur betekent dat de bestuurder niet handelende zoals een redelijk denkend en competent bestuurder onder dezelfde omstandigheden zou hebben gedaan. Heeft u kennelijk onbehoorlijk bestuurd, dan kan dit tot gevolg hebben dat u aansprakelijk bent voor de boedelschuld.

Het besturen door u is ‘kennelijk onbehoorlijk’ als u bijvoorbeeld jarenlang geen administratie hebt bijgehouden of deze niet op orde is, of omdat u onverantwoorde financiële risico’s heeft genomen waardoor de vereniging of stichting failliet is gegaan. Er is ook sprake van ‘kennelijk onbehoorlijk’ bestuur als u een Corporate Governance Code heeft ondertekend en u deze niet naleeft.

Bewijsvermoeden geldt soms niet


In de wet staat voor het bewijzen van onbehoorlijk bestuur een bewijsvermoeden. Op het moment dat het handelen van een bestuurder voldoet aan de eisen in dit artikel, dan vermoedt de rechter dat deze bestuurder onbehoorlijk heeft bestuurd.

Het bewijsvermoeden houdt in dat als blijkt dat het niet bijhouden van de administratie een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest, er wordt vermoed dat de bestuurder onbehoorlijk heeft bestuurd. Het wetsvoorstel zorgt ervoor dat dit bewijsvermoeden ook geldt voor aansprakelijkheid van bestuurders vanwege faillissement.

Het wetsvoorstel maakt echter een uitzondering voor bestuurders van niet-commerciële stichtingen en verenigingen. Voor deze bestuurders geldt het bewijsvermoeden niet! Dit betekent dat bij een faillissement de curator moet aantonen dat de bestuurder onbehoorlijk heeft bestuurd.

Dit wetsvoorstel wordt nu behandeld in de Tweede Kamer. Er kunnen dus nog wijzigingen aangebracht worden. Wij houden u via deze blog op de hoogte over het voorstel.

Heeft u een vraag of wilt u advies op maat? Neem dan contact met ons op.

Uw eerste aanspreekpunt:

Sander Vos

Als advocaat en curator ervaar ik tegen welke problemen ondernemers kunnen aanlopen bij het besturen van hun bedrijf. Bij mijn advisering houd ik altijd het (echte) belang van mijn cliënten voor ogen. Een ondernemer wil een oplossing die bedrijfseconomisch optimaal is; dus zo veel mogelijk opbrengsten, tegen zo weinig mogelijk kosten. Gelijk krijgen na een langdurige en kostbare procedure valt hier lang niet altijd onder.